Achtergrondinformatie

Onderzoek naar seksualiteit bij mensen met een beperking

Het rapport ‘Seksualiteit van mensen met een handicap’ (Kersten, 2003) brengt in kaart welke onderzoeksgegevens in 2002 voorhanden waren over:

Sinds 2002 zijn in Nederland nog een aantal onderzoeken uitgevoerd onder mensen met een verstandelijke respectievelijk fysieke beperking. Ter illustratie de bevindingen van twee onderzoeken.

Mensen met een verstandelijke beperking

De Universiteit van Twente heeft, in samenwerking met Stichting Aveleijn (Siebelink, De Jong, Taal & Roelvink, 2006), onderzoek gedaan naar seksualiteit bij mensen met een verstandelijke beperking. De speciaal voor het onderzoek ontworpen interviewmethode bleek een geschikt instrument voor het doen van onderzoek onder deze groep. De respondenten kregen vragen voorgelegd met betrekking tot kennis over seksualiteit, seksuele attituden, seksuele ervaringen en seksuele behoeften.
76 mensen met een lichte of matige verstandelijke beperking hebben aan het onderzoek deelgenomen.

Een samenvatting van de resultaten:
De resultaten laten zien dat romantische relaties en seksualiteit belangrijke thema’s zijn in het leven van mensen met een verstandelijke beperking. Respondenten blijken zowel ervaringen als behoeften te hebben op dit gebied. Het gaat daarbij om aspecten zoals het hebben van een vriend(in), zoenen op de mond, knuffelen, geslachtsgemeenschap, masturbatie, bekijken van seksfilms en prostitutiebezoek. Hierbij doen zich verschillen voor tussen mannen en vrouwen. Mannen rapporteren over het algemeen meer seksuele behoeften en ervaringen dan vrouwen, met name als het gaat om de meer ‘onpersoonlijke’ seksuele activiteiten, zoals masturbatie, bekijken van seksfilms en prostitutiebezoek. Zij hebben ook een positievere attitude ten opzichte van deze aspecten.
Zowel mannen als vrouwen hebben een positieve attitude ten opzichte van zoenen, knuffelen en geslachtsgemeenschap in heteroseksuele relaties. Ten opzichte van homoseksualiteit bestaat een neutrale tot licht negatieve attitude.

De respondenten beschikken over enige kennis over seksualiteit: 93% weet dat vrouwen zwanger kunnen worden als ze geslachtsgemeenschap hebben en 76% weet dat je een soa kunt oplopen bij het hebben van geslachtsgemeenschap. Iets meer dan de helft (51%) herkent dat de getoonde persoon op een plaatje aan het masturberen is.
Er blijkt geen correlatie te bestaan tussen seksuele kennis en seksuele ervaring: mensen die seksueel actief zijn, beschikken niet noodzakelijkerwijs over meer kennis dan mensen die niet seksueel actief zijn.

Mensen met een fysieke beperking

De Rutgers Nisso Groep heeft in 2005 via internet een representatief onderzoek uitgevoerd naar seksuele problemen onder mensen met een motorische handicap. Internet blijkt voor mensen met fysieke beperkingen een goed toegankelijk medium te zijn en een uitstekend middel voor het doen van onderzoek (Kedde & Van Berlo, 2006). De respondenten kregen vragen voorgelegd over onder andere de partnerrelatie, seksuele problemen, seksuele tevredenheid, en seksuele en lichamelijke zelfwaardering.
160 mensen met een motorische handicap hebben de vragenlijst volledig ingevuld.

Een samenvatting van de resultaten:
De seksuele tevredenheid van vrouwen is beduidend hoger dan die van de mannen. Daarnaast vinden vrouwelijke respondenten zichzelf ook aantrekkelijker. De seksuele tevredenheid van zowel mannen als vrouwen wordt voor een groot deel bepaald door het feit of men al dan niet een vaste partner heeft. Mensen met een vaste partner zijn meer tevreden over hun seksuele leven. (Voor vrouwen is dit overigens nog aanzienlijk sterker dan voor mannen.) Daarnaast vinden mensen met een vaste partner zichzelf meer aantrekkelijk dan de respondenten zonder partner. Mensen met een vaste partner lijken dus een positiever zelfbeeld te hebben. Vrouwen met een vaste partner voelen zich ook minder onzeker over hun seksualiteit. De invloed van het hebben van een vaste partner op het seksueel welzijn is dus positief.

De leeftijd waarop men de handicap krijgt of ontwikkelt, is ook een belangrijke factor in het seksueel welzijn. De invloed hiervan laat echter grote verschillen zien tussen mannen en vrouwen. Mannen die op latere leeftijd (> 21) een handicap kregen zijn minder tevreden over hun seksuele leven in vergelijking met mensen die op jonge leeftijd een handicap kregen of een aangeboren aandoening hebben. Daarnaast ervaren mannen binnen deze groep een lagere seksuele en lichamelijke zelfwaardering. De leeftijd waarop vrouwen een handicap krijgen of ontwikkelen heeft geen invloed op hun seksuele tevredenheid en seksueel zelfbeeld, waaruit misschien valt op te maken dat vrouwen die op latere leeftijd een lichamelijke handicap krijgen, beter in staat zijn dan mannen de handicap te integreren in hun (seksuele) leven.

Een andere opvallende uitkomst, die op het bovenstaande lijkt aan te sluiten, is dat er bij mannen sterke verbanden zijn tussen de psychische gezondheid, gevoelens van hulpeloosheid en ziekteacceptatie enerzijds en seksuele tevredenheid en seksuele en lichamelijke zelfwaardering anderzijds. (Bijvoorbeeld: mannen met veel gevoelens van hulpeloosheid zijn minder tevreden over hun seksualiteit.) Bij vrouwen zijn deze verbanden tussen seksueel welzijn en psychologisch welzijn niet gevonden. Het seksueel welzijn van vrouwen lijkt daarmee dus los te staan van de psychische problemen en moeilijkheden die mogelijk voortvloeien uit een handicap. Voor vrouwen spelen wellicht relationele factoren (waaronder het al dan niet hebben van een partner) een grotere rol.

Bron:

beheer met WebEtui CMS