Achtergrondinformatie

Begeleiding en behandeling van plegers

De plegerproblematiek bij mensen met een verstandelijke handicap verdient specifieke aandacht. Volgens onderzoek van van Berlo (1995) vormen zij de grootste plegergroep bij van het misbruik van andere verstandelijk gehandicapten.
In het onderstaande komt de begeleiding en behandeling van plegers met een beperking aan de orde.
Voordat we ingaan op de begeleiding en behandeling van verstandelijk beperkte plegers, lichten we eerst de specifieke kenmerken van de plegerproblematiek toe en de noodzaak van diagnostiek.

Overeenkomsten met normaal begaafde plegers
Verstandelijk gehandicapte plegers vertonen veel overeenkomsten met normaal begaafde plegers. Zo is er sprake van:

Verschillen met normaal begaafde plegers
Naast overeenkomsten met normaal begaafde plegers zijn er ook opvallende verschillen:

Specifeke problematiek bij verstandelijk gehandicapte plegers
Gehandicapte plegers hebben:

Knelpunten adequate aanpak daderproblematiek
De ernst van de daden van de verstandelijk gehandicapte pleger worden in de regel door zowel hulpverlening als politie/justitie onvoldoende erkend. Vaak nog worden deze daden bedekt 'met de mantel der liefde.' Men acht de verstandelijk gehandicapte niet verantwoordelijk voor zijn daden, of zijn daden worden gezien als 'seksuele experimenten' waar hij wel overheen zal groeien. Frits Bruinsma (1996) spreekt dit tegen en constateert dat dit zelden het geval is. Als de daden van een verstandelijk gehandicapte niet serieus worden genomen, kan deze aan het begin komen te staan van een carriŤre van seksueel misbruik met vele slachtoffers. Bruinsma constateert verder dat men bij een verstandelijk gehandicapte zedendelinquent in veel gevallen tot een aanpak komt, zonder dat er sprake is van een nauwgezette diagnostiek en wordt stilgestaan bij hoe / waardoor de dader tot dit gedrag is gekomen. Het gevolg kan zijn dat de gekozen 'oplossing' het plegergedrag zelfs versterkt.

Verstandelijk beperkte plegers laten zich vaak, door hun jonge emotionele ontwikkeling, leiden door hun eigen behoeften. Discriminatie in seksuele voorkeur is nauwelijks aanwezig. (Lindsay, 2003). Fixatie op kinderen is dan het gevolg, niet omdat zij pedofiele neigingen hebben, maar meer omdat kinderen veiligerzijn.

Soms worden daders niet voldoende begeleid vanwege de antipathie die er bij begeleiders en hulpverleners bestaat. Ook zijn hulpverleners vaak niet bekend met seksuele gedachten, gevoelens en gedrag bij cliŽnten, waardoor zij niet adequaat kunnen begeleiden.

Noodzaak van diagnostiek
Goede diagnostiek is van groot belang om duidelijk te krijgen wat achterliggende (persoons) factoren zijn; in hoeverre het dadergedrag samenhangt met de achterstand in verschillende ontwikkelingsdomeinen en wat uitlokkende en instandhoudende factoren zijn in de persoon zelf. Daarnaast zijn de omgevingsfactoren belangrijk in het ontstaan en in stand houden van het plegergedrag. Een goede diagnose moet uitwijzen waarom deze man of vrouw op dit moment tot plegergedrag is overgegaan.

Behandelmogelijkheden
De meest geschikt therapie voor verstandelijk gehandicapte plegers is gedragstherapie (in combinatie met andere therapievormen). De therapie is gericht op:

Behandel onmogelijkheden
Behandeling van verstandelijk gehandicapte plegers is moeilijk zo niet onmogelijk bij personen met een IQ dat lager is dan ongeveer 70. Dat wil niet zeggen dat therapeutische aanpak niet nodig is, maar de gesprekken zullen meer op training gericht zijn. Pe plegers met een te laag IQ zijn te weinig in staat tot reflectie op het eigen gedrag en dat van anderen en kunnen moeilijk zelf tot gedragsverandering komen. Zij hebben vaker ook te weinig interne controle mogelijkheden en kunnen het in de therapie geleerde moeilijk / niet toepassen in het dagelijkse leven.
De verstandelijk gehandicapte pleger zal intensief moeten worden begeleid in zijn directe leefsituatie door:

Met dank aan Marianne Heestermans, (Zonnehuizen), voor het gebruik van haar (cursus) materiaal.

Literatuur

beheer met WebEtui CMS